our_story Voeg toe als vriend Stem topsite!
Bezoekers vandaag: 2 Bezoekers Totaal: 4490 Punten deze maand: 0 Punten totaal: 5 Home - Inloggen - Aanmelden - Zoeken
- My prerogative

 

My prerogative.

 

Intro:

 

Mijn naam is Emma. Ik ben 15 jaar en geliefd bij de jongens. Ik heb veel vriendinnen. Ze weten niks over de situatie bij jou thuis. Bij mijn vriendinnen doe ik vrolijk… maar of ik dat ook ben. Als ik weer eens ruzie met mijn ouders heb gehad. Pak ik mijn spullen en neem de eerste de beste trein die aankomt. Als ik uitstap verandert mijn leven compleet.

 

School

 

Ik sta in de badkamer. Ik probeer met make-up de handafdruk op mijn wang weg te halen. Ik moet weer een briefje schrijven voor de gymleraar dat ik niet mee kan doen met gym. Zo meteen zien ze de blauwe plekken. Als ik klaar ben loop ik naar beneden. Ik pak mijn tas en loop naar de schuur. Ik pak mijn fiets en doe mijn ipod aan. Ik fiets de straat uit. Ik denk terug over wat er was gebeurd die ochtend. Ik vroeg aan mijn ouders of ik met mijn vriendinnen naar de bios mag. Dat mocht niet en ik moest natuurlijk door zeuren. Ik had het kunnen verwachten. Als ik bij school aankom staan mijn vriendinnen al te wachten. Ik zette snel mijn fiets weg en liep naar ze toe.

‘Sorry dat ik zo laat ben.’ Zeg ik. ‘Geeft niet hoor, wat is je smoes?’ Vraagt Sara lachend. ‘Ik moet er nog even 1 bedenken…’. Iedereen moet lachen en de eerste bel gaat. We lopen de school in en lopen nog even langs mijn kluisje. Als we daar aankomen staat er een jongen bij mijn kluisje. ’He schat.’ Ik negeer de jongen, stop mijn spullen in mijn kluis en ik loop weg. We lopen de trap op naar het lokaal. We lopen het lokaal in en gaan zitten. Ik begin met mijn vriendinnen te praten en na 5 minuten komt de leraar binnen. ‘U bent te laat meneer!’ Zeg ik. ‘Moet je nu al brutaal doen? Het is nog vroeg.’ ‘Maar meneer ik mag u er op wijzen als u te laat bent. Of bent u dat vergeten?’ ‘Je kan net zo goed naar het uitstuurlokaal.’ ‘Is niet erg hoor het is daar gezellig.’ ‘Ga dan maar.’ ‘Had ik net zo goed in mijn bed kunnen blijven liggen. ‘ER UIT.’ Schreeuwt mr. Boon. Ik pak rustig mijn boek en doe die in mijn tas. ‘En schiet een beetje op.’ Ik pak mijn tas en loop het lokaal uit. Ik loop de trap af naar het uitstuurlokaal. Als ik daar binnen kom word ik vriendelijk begroet door iedereen die daar in het lokaal zit. ‘Hoi.’ Ik loop naar de vrouw die achter het bureau zit. Het is een andere vrouw dan normaal. ‘Bij wie ben je er uit gestuurd?’ Vraagt de vrouw chagrijnig. ‘Bij meneer Geit.’ Zeg ik. We noemen mr. Boon altijd mr. Geit omdat hij onwijs veel op een geit lijkt en meestal ook zo doet. ‘We hebben geen meneer Geit hier op school.’ ‘Meneer Boon dan hoe u het wil.’‘Waardoor ben je er uitgestuurd?’ ‘Door de leraar.’ Iedereen in het lokaal moet lachen. ‘Dat snap ik maar wat heb je gedaan?’ ‘Gezegd dat hij te laat was.’ ‘En toen werd je er uit gestuurd?’ Hoor ik achter me. Ik kijk om en zie Caroline de vrouw die normaal achter het bureau zit staan. ‘Ja.’ Zeg ik. ‘Ga maar zitten en ga iets doen dan zien we wel verder.’ Zegt Caroline. ‘Okee.’ Zeg ik. Ik ga op een stoel zitten en pak mijn ipod. Als ik mijn ipod aan doe schalmt het lied step up door de oortjes. Ik heb meteen zin om te dansen. Ik mag alleen niet dansen van mijn ouders. Mijn vriendinnen zeggen dat ik er aanleg voor heb en dat ik er iets mee moet gaan doen later. Maar ja mijn ouders. Ik pak een boek en begin opdrachten te maken. Ik moest die opdrachten niet maken of zo maar ik had toch niks te doen. Als ik na 40 minuten naar de volgende les mag. Doe ik mijn boek weer in mijn tas. ‘Doei ik zie jullie zo denk ik wel weer.’ Zeg ik. Iedereen zegt ‘Doei.’ Ik loop het lokaal uit en ga naar de volgende les. ‘He ben ik weer.’ Roep ik door de klas als ik binnen kom. ‘Kan het wat stiller we zitten midden in de les.’ Zegt de leraar. ‘Sorry meneer.’ Zeg ik en loop de klas in en ga op een stoel zitten. ‘Mlis waar gaat dit over?’ Vraag ik. ‘Hij vertelt een verhaal over werkwoorden of zo.’ Zegt Melissa. ‘Leuk.’ Zeg ik sarcastisch. ‘Emma wil je opletten?’ De leraar weer. ‘Ja hoor meneer ik wil wel opletten maar ik kan mijn hoofd er niet bij houden.’ De hele klas ligt dubbel. ‘Wat is daar grappig aan?’ ‘Alles.’ Zegt Jake. Jake is een van de jongens die denkt dat hij alles is. Hij weet alleen niet dat hij niet grappig is en er niet bepaald leuk uit ziet. Meneer Scmiegel is zo’n leraar die geen orde kan houden en ook niet aardig is. Hij geeft Engels maar hij praat meer Nederlands en scheld in het Duits. Jammer voor hem maar wij kunnen al wel Duits. ‘Doe even normaal jullie.’ Als de klas maar blijft lachen gaat de leraar er demonstratief bij zitten. De klas word na een tijdje stil. Ik zit gewoon rustig in mijn boek te kijken. ‘Okee dan gaan we weer verder met het verhaal.’ ‘Welk verhaal meneer?’ Vraagt Mike. Mike is een hele aardige jongen. ‘Het verhaal waar we vorige week mee waren begonnen.’ ‘O die.’ We moesten zelf een verhaal maken en dat spelen. Dat was heel leuk geworden. De jongens maakte een heel raar verhaal. Nou er zat eigenlijk geen verhaal in. De jongens moeten nu het ‘verhaal’ afronden. Volgende week moeten wij dan ons verhaal doen. Dat word heel vaag en we zouden waarschijnlijk de hele tijd moeten lachen. De jongens gaan verder met hun verhaal spelen. Ik kijk er naar maar val na een paar minuten in slaap. ‘EMMA WAKKER WORDEN!’ Word er in mijn oor geschreeuwd. ‘Ben ik al.’ antwoord ik half slapend. ‘Ga jij maar naar het uitstuurlokaal. ‘Best.’ Zeg ik. Ik pak mijn spullen en ga voor de tweede keer deze dag naar het uitstuurlokaal. ‘Ben ik weer.’ Zeg ik als ik het lokaal in loop. ‘Bij meneer Scmiegel toch?’ Zegt Caroline die weer achter het bureau zit. ‘Ja en ik ben er uit gestuurd  omdat ik in slaap viel.’ Zeg ik. ‘Hoe flik je dat nou weer?’ Vraagt Thomas. Thomas is een aardige jongen die bijna altijd in het uitstuurlokaal zit. Voor hem is het een spelletje om een leraar boos te maken. ‘De jongens gingen een dom verhaal uitbeelden en ik viel in slaap omdat het zo saai was.’ ‘Zou ik ook doen.’ Zegt Thomas. ‘Mooi dan ben ik niet de enige.’ Ik ga weer zitten en zet mijn ipod weer aan. Na 10 minuten val ik in het uitstuurlokaal in slaap. ik heb een nare droom over mijn ouders die me weer eens vernederen en helemaal verrot slaan. Ik word gillend wakker, en Thomas staat direct naast me met een arm om mijn schouder. Ik schud zijn arm snel weg, de herinnering aan contact met mannen, dat is een slechte herinnering, ik weet nog dat... Na 20 minuten ga ik naar de volgende les. Aan het einde van de schooldag ga ik naar huis.

 

Klappen.

 

Ik kruip in een hoekje… Alweer een klap. Waarom moest ik zonodig zeuren. Ik wist dat het niet mocht en toch moest ik zeuren. Het is mijn eigen schuld. Aan de ene kant dan. Het is niet normaal dat ze zo slaan. Pets. Alweer een klap. ‘KAPPEN.’ Schreeuw ik. ‘STIL.’Schreeuwt mijn vader. Daar heb ik alweer een klap te pakken. ‘Kom mee.’ Schreeuwt mijn vader. Hij sleurt me de trap op en gooit me in mijn kamer. ‘EN DAAR BLIJF JE. JE KOMT ER NIET UIT!.’Schreeuwt mijn vader. Ik blijf liggen. De deur word dichtgeslagen. Ik sta op en loop naar de spiegel. Ik schrik als ik mezelf zie. Mijn oog blauw is en ik heb een bloedneus. Ik kijk naar buiten. Het word al donker. Ik pak mijn pyjama en trek die aan. Ik ga ik het raamkozijn zitten. Ik zie mensen over straat lopen. ‘Zou ik?’ Fluister ik in mezelf. ‘Nee.’ Ik schud het idee van me af. Ik pak mijn dagboek. Ik lees het gedicht van gister. Elke dag zet ik een gedicht in mijn dagboek. Ik begin te schrijven.

 

        Op school een nare droom

        De klappen komen aan

        Die droom is werkelijkheid

        Dat zijn de dingen die bestaan

 

        De dingen die bij mij gebeuren

        Als een dagelijks ritueel

        De hele dag alleen maar klappen

        Dit wordt me toch echt te veel

 

        Ik lijk dan wel een stoere meid

        Ik heb schijt aan iedereen

        Maar de klappen komen aan

            Het leven is gemeen

 

Staat er als ik klaar ben. Ik doe mijn dagboek dicht en ga ik bed liggen. Auw volgens mij is mijn hele rug blauw. Best logisch als je de trap opgetrokken bent. Als ik bijna slaap gaat de deur open. Ik doe alsof ik slaap. ‘Emma ik weet dat je niet slaapt.’ Hoor ik mijn vader zeggen. Ik word aan mijn haren mijn bed uitgetrokken. Ik mag niet gillen denk ik. Mijn vader begint weer te slaan. Na een minuut of 5 stopt hij en loopt weg. Ik sta voorzichtig weer op. Ik ga weer in bed liggen. Ik zie morgen wel hoe ik er uit zie en of ik naar school ga of thuis blijf. Mijn rug doet nu nog meer pijn. Mijn arm doet ook heel veel pijn. Maar ja dat is morgen denk ik wel over. Shit morgen heb ik gym. Nou ja een briefje dan maar weer. Zou het niet verdacht worden dat ik zo vaak niet mee gym? Vast wel. Nou ja ze moeten maar met die briefjes leven. Maar dit kan zo niet langer. Langzaam val ik in slaap denkend aan de toekomst.

 

Spijbelen.

 

Ik word wakker. Mijn rug doet nog steeds pijn. Ik ga niet naar school. Ik loop naar beneden. ‘Hoi mam.’ Zeg ik tegen mijn moeder die in de keuken staat. ‘Hoi lieverd.’ Zegt mijn moeder terug. ‘Mam mag ik thuis blijven?’ Vraag ik voorzichtig aan mijn moeder. ‘Nee je gaat gewoon naar school.’ Zegt mijn moeder. ‘Okee mam.’ Zeg ik. Ik wil niet tegen haar ingaan omdat ik dan nog blauwer word. ‘Mam wil je dan een briefje schrijven dat ik niet kan gymmen?’ Vraag ik. ‘Is goed.’ Zegt mijn moeder.  Mijn moeder schrijft een briefje. Ik pak brood en ga eten. Als ik heb gegeten ga ik snel naar de badkamer. Ik zie dat mijn oog helemaal blauw is en mijn neus is dik. ‘Shit.’ Zeg ik in mezelf. Ik pak weer mijn make-up uit een van de lades. Als mijn oog er weer normaal uitziet ga ik naar beneden. Ik pak mijn tas en loop naar de schuur. Ik pak mijn fiets en fiets weg. Maar dit keer niet naar school. Ik ga naar een parkje in de buurt van het centrum. Als ik daar ben ga ik op een bankje zitten en bel naar school. ‘Ja met Emma.’ Zeg ik. ‘Ik voel met niet lekker en ik blijf dus thuis.’ Zeg ik. Als ik een tijdje in het park zit zie ik mijn vader langs lopen. Ik duik snel weg in een bosje. Ik hoop dat hij mijn fiets niet herkent. Mijn vader blijft bij mijn fiets staan. Zijn wenkbrauwen fronsen. Hij schopt tegen de fiets aan en loopt boos weg. Gelukkig hij gaat me niet zoeken. Als ik zeker weet dat hij weg is ga ik weer op het bankje zitten. Het is slimmer als ik mijn fiets daar weg haal voor het geval dat mijn vader terug komt. Ik loop naar mijn fiets en haal hem van het slot af. Ik fiets weg richting de winkelstraat. Ik zet mijn fiets daar in een rustig steegje. Ik loop door de winkelstraat. Dat was de andere kant op dan dat mijn vader ging. Wacht even. Als hij mijn fiets heeft gezien kan hij de school gaan bellen vragen of ik er ben. Stom van me. Ik had gewoon naar school moeten gaan. Dan maar nu naar school.

 

Op school.

 

Ik fiets naar school. Als ik daar ben loop ik de klas in alsof er niks is aan de hand is. ‘En waar kom jij vandaan?’ Vraagt mr. Bakker. ‘Sorry meneer ik was mijn spullen vergeten en ben ik die dus even op gaan halen omdat ik anders niet kon gaan tekenen.’ Zeg ik snel als smoes. Bij mr. Bakker is het altijd goed als je tekenspullen gaat halen om te tekenen. ‘Okee ga maar zitten en de volgende keer niet je spullen vergeten he.’ Zegt mr. Bakker. Ik ga op een lege plek zitten en begin te tekenen. Na de les gaan we naar gym. Shit heb ik dat briefje nog? Ik voel in mijn broekzak. Nee. De zak van mijn vest. Ook niet. Ik pak mijn jas en voel in mijn jaszakken. Gelukkig daar is het briefje. Ik zucht. Ik pak het briefje en loop naar de gymzaal. ‘Is iedereen er?’ Vraagt mr. Bokos. Ik kom langzaam binnen slenteren. Iedereen kijkt me aan. ‘Waarom ben je niet omgekleed?’ Vraagt mr. Bokos. Ik geef zwijgend het briefje aan hem. ‘Je kan niet mee gymmen en je komt te laat?’ Zegt mr. Bokos boos. ‘Ga maar naar de rector.’ Zegt mr. Bokos. Ik loop de gymzaal weer uit. Richting de rector. Als ik bij de rector ben klop ik op de deur. ‘Binnen.’Hoor ik aan de andere kant van de deur. Ik loop naar binnen. ‘Meisje wat is er?’ Vraagt de rector. ‘Weet ik niet ik moest van mr. Bokos hier heen.’ Zeg ik. ‘Weet je ook waarom?’ Vraagt de rector. ‘Omdat ik te laat was en niet mee mag gymmen.’ Zeg ik. ‘Ehm ja ik kan hier niks aan doen dus ga maar naar de kantine of zo.’ Zegt de rector. Ik loop het kamertje uit en loop naar een verlaten gang.

 

Twijfel?

 

Ik ga tegen de muur aan zitten. Ik denk aan thuis. Niet zo’n fijne gedachten. Ik weet ook niet waarom ik daar aan moet denken. Ik begin te huilen. Als ik een tijdje gehuild heb pak ik mijn dagboek uit mijn tas en begin te schrijven. Als ik klaar ben doe ik mijn dagboek weer in mijn tas. Ik hoor iemand lopen. Als ik op kijk zie ik mr. Hoorn voor me staan. ‘He Emma toch?’ Zegt mr. Hoorn. ‘Ja.’ Zeg ik door mijn tranen heen. ‘Wat is er Emma?’ Vraagt mr. Hoorn bezorgd. ‘Nou ehh dat zeg ik liever niet’ Zeg ik.’Emma je kan me vertrouwen ik zou dit tegen niemand anders zeggen.’ Zegt mr. Hoorn bezorgd.‘Lees maar.’ Zeg ik twijfelend. Ik pak mijn dagboek en laat het hem lezen. Hij leest mijn laatste gedicht voor.

Doorgaan met het leven

Om naar het doel te streven

 

Om andere geen pijn te doen

En leven in het fatsoen

 

Ook is het hier niet altijd fijn

En voel ik me alleen en klein

 

Ik geef me leven nog niet op

Maar het lijkt wel een natte prop

 

Geen woord meer uit mijn lijf te krijgen

De rest van mijn leven er over zwijgen

 

Of de dood onder ogen zien

Ik maak die keuze… misschien

Leest hij voor.

Ik moet nog meer huilen. ‘Ach meid.’ Zegt mr. Hoorn geruststellend. ‘Zo erg is het toch niet.’ Zegt mr. Hoorn weer. ‘U weet niet hoe het bij mij thuis is.’ Zeg ik. ‘Zo erg kan het toch niet zijn. Dan was je al lang weg gelopen.’ Zegt mr. Hoorn. ‘Dat heb ik ook gedaan heel vaak maar ze volgde me en hebben me terug gehaald.’ Zeg ik. ‘Maar wat doen ze dan?’ Vraagt mr. Hoorn. Ik pak mijn dagboek uit zijn hand en ren weg. De school uit. Ik dacht dat hij me zou begrijpen. Nou blijkbaar niet. Ik ren overal en nergens heen. Ik weet niet waar ik allemaal voorbij kom.

 

Gered?

 

Als ik eindelijk kijk waar ik ben, herken ik niks. Fijn dat komt er ook nog eens bij. Nu kom ik vast te laat thuis. Dan krijg ik weer klappen. Ik begin een beetje rond te lopen. Ik weet echt niet waar ik ben. Dat komt waarschijnlijk omdat ik nooit ver weg mocht. Anders zou ik nu wel weten waar ik heen zou moeten. Het ziet er hier een beetje uit als een achterbuurt. Ik loop door een straat. Als ik langs een huis loop gaat de deur open. Er komt een donkere jongen naar buiten. Ik loop snel door. Als ik zie dat de jongen me na kijkt, loop ik nog sneller weg. De jongen komt achter me aan. Ik begin te rennen. ‘Wacht.’ Hoor ik achter me. Ik kijk om en zie dat de jongen achter me aan loopt. Ik ga stil staan. De jongen komt naar me toe. ‘He waarom deed je zo schrikachtig?’ Vraagt de jongen. ‘Ik schrok toen de deur open ging.’ Verzin ik snel. Ik hoop dat hij er niet op door gaat. ‘Oke. Hoe heet je?’ Vraagt de jongen. ‘Emma.’ Zeg ik. ‘Oke, ik heet Dylan.’ Zegt Dylan, ‘Ben je verdwaalt?’’Ja eigenlijk wel.’ Zeg ik verlegen. ‘Waar moet je heen dan breng ik je wel.’ Zegt Dylan. ‘Julianalaan.’ Zeg ik. ‘Dan ben je wel heel erg verdwaald.’ ‘Is het zo ver dan?’ ‘Mwah valt wel mee. Een vriend van me woont ook in de Julianalaan.’ ‘Hoe heet hij?’  ‘Wouter.’ ‘Dat is mijn broer.’’Oke stoer.’’Hij is de laatste tijd alleen veel weg.’ We lopen al een tijdje en ik begin te herkennen waar ik ben. ‘Vanaf hier weet ik de weg wel weer.’ Zeg ik. ‘Weet je het zeker?’’Ja ik kom hier langs al ik naar school fiets.’’Oke, is het goed dat ik dan weer richting mijn huis ga?’ Vraagt Dylan. ‘Ja is goed.’’Ik zie je wel weer eens.’ Ja vast wel.’Doei.’’Doei.’ Zeg ik. Dylan loopt weg. Richting zijn huis. Ik loop verder naar mijn huis. Als Wouter nou thuis is word ik niet geslagen. Wouter neemt het altijd voor me op. Ik kom bij mijn huis aan. Als ik binnen kom zie ik dat ik net op tijd ben. ‘Ik ben thuis.’ Roep ik. ‘Emma kom eens hier.’ Roept mijn moeder van boven. Ik loop naar boven. Als ik de kamer van mijn ouders in loop zie ik dat mijn vader op het bed zit. Laat ze alsjeblieft niet vragen of ik in het park was. ‘Emma.’ Begint mijn vader,’Ben jij vandaag de hele dag naar school geweest?’ Vraagt mijn vader. ‘Ja.’ Zeg ik. ‘Ik zag jou fiets anders bij het park staan.’ Zegt mijn vader. ‘Raar want ik heb mijn fiets niet bij het park gezet. Dat is heel erg om.’ Zeg ik. ‘Nou dan heb ik me vast vergist.’ Zegt mijn vader. Ik wil weer weg lopen. ‘Emma, je bent aan het liegen want je had je op school ziek gemeld.’ Zegt mijn vader. Shit hij is er dus toch achter gekomen. Ik voel een klap op mijn schouder. Niet vriendschappelijk maar agressief. Niet veel later komt er nog een klap. En nog een. Zo gaat het een tijdje door. Als mijn vader uit geslagen is sleurt hij me naar mijn kamer. Hij doet mijn kamer op slot. Nu kan ik dus ook geen eten halen. Ik loop naar mijn spiegel toe. Ik kijk er in. Als ik mezelf zie draai ik me meteen om. Alle twee mijn ogen blauw mijn neus bloed weer, en een gat in mijn hoofd. Komt vast door die klap op het bed van mijn ouders. Ik pak een doekje uit mijn badkamertje en maak die nat. Ik hou het doekje tegen mijn hoofd. Ik draai me om. Ik stoot een fles haarlak aan Ik probeer de fles te vangen. Mis. De fles valt op de grond. Ik buk en raap de fles op en zet hem weer op zijn plek. Ik loop naar mijn kamer. Ik ga op bed zitten. Ik doe mijn ipod aan. Als er een goed dans nummer komt wil ik gaan dansen. Zou ik? Nee doe maar niet. Zo meteen komen mijn ouders binnen. Dan krijg ik nog meer klappen en dan pakken ze mijn ipod en cd speler af. Ik ga in mijn vensterbank zitten. Ik kijk naar buiten. Ik zie een paar kinderen spelen. Ze zien er zo blij uit. Kon ik dat maar zijn. Mijn jeugd is verpest door die klappen. De enige keren dat ik blij was. Was als Wouter thuis kwam. Hij hielp me. Hij zei dat ik vol moest houden, dat hij me zou helpen en zou zorgen dat ik hier weg kom. Alleen nu is hij weg en ben ik hier nog. Ik moet huilen. Wouter heeft me zo veel beloofd. Hij is alleen niks na gekomen. Behalve dan dat hij er voor me zou zijn als het nodig is. Ik kan hem nu gewoon bellen als het me teveel word. Ik weet niet waar hij uithangt maar als ik vraag of hij terug komt, komt hij terug. Ik ga op mijn bed liggen. Ik val meteen in slaap.

 

Ik loop door een straat. Ik weet niet waar ik ben. Ik loop rustig door. Er komen allemaal mensen naar buiten. Ze lopen dreigend achter me aan. Ik zie Sara en Thomas vooraan lopen. Ze lopen allemaal met fakkels achter me aan. Ze willen dat ik weg ben. Voor altijd. Ik begin te rennen. Ik ren door straten. Ik herken ze niet. Ik ren een straat in. Ik zie Dylan en Wouter in het licht van een lantarenpaal staan. Ik ren naar ze toe. Ze blijven stil staan. Ik zie de optocht van fakkels dichter bij komen. ‘Wouter, Dylan help me.’Roep ik. Ze lijken me niet te horen. Ik zie een traan over Wouters wang lopen. Waarom huilt Wouter. Hij huilt nooit. Als de optocht bij Wouter en Dylan is lopen ze mee. Ze lopen dwars door me heen. Het lijkt of ik niet besta. Ik loop met de groep mee. Uit nieuwsgierigheid. Ze lopen naar een begraafplaats. Wat zouden ze hier nou weer doen? Ik zie een steen staan. Er staat op:’ hier rust Emma de Groot. Ze is slachtoffer geworden van huishoudelijk geweld.‘

 

Ik schrik wakker. Zou mijn droom iets betekenen? Maar waarom zou Dylan er bij zijn? Wat als het waar is? Hoelang zou ik dan nog leven? Even rustig Emma. Ik loop naar mijn badkamertje en ga douchen. Dan kan ik misschien weer normaal denken. Als ik onder de douche vandaan stap. Droog ik me af en doe mijn pyjama weer aan. Ik loop mijn kamer in. Ik zie iemand zitten. Ik weet niet wie. Als ik dichter bij kom zie ik dat het Wouter is. ‘He Wout lang niet gezien.’ Zeg ik. ‘He ik heb gehoord dat je was verdwaalt.’ Zegt Wouter. ‘Ja.’’Ben je nog geslagen?’’Ja ik ben helemaal blauw.’’Laat eens zien.’Ik loop naar Wouter toe. ‘Dit kan niet. Je moet dit niet pikken.’’Wat moet ik anders?’’Ga met mij mee.’’En dan? Ze vinden me heus wel.’’Em vertrouw me. Ze vinden je daar niet.’ Wat zou ik doen? Met Wouter mee gaan en mijn vrienden in ze steek laten of hier blijven en bont en blauw geslagen worden? Ik weet niet. Ik kan mijn vrienden hier niet laten stikken. Maar ik moet ook aan mezelf denken. Zou het bij Wouter beter worden of niet? Waar zou ik heen gaan? ‘Denk er anders nog even over na dan kom ik morgen terug.’ Zegt Wouter. ‘Oke is goed.’ Zeg ik. Wouter loopt naar mijn raam en klimt mijn raam uit. ‘Doei Em.’ Zegt Wouter zacht. ‘Doei Wout.’ Zeg ik terug. Als Wouter weg is dringt het pas tot me door. Hij wil me helpen. Hij wil dat ik hier weg ga. En ik ga zitten twijfelen omdat ik mijn 3 vrienden niet in de steek wil laten. Nou ja 3 het zijn er wel een paar meer. Maar wat moet ik nu? Met mijn broer mee gaan en Sara en Thomas in de steek laten, Of met Wouter mee gaan en vrij zijn. Weg van mijn ouders.

 

School.

 

De volgende ochtend sta ik weer een hele tijd voor de spiegel om mijn blauwe ogen weg te werken. Ik twijfel nog steeds of ik met Wouter mee zou gaan of hier zou blijven. Ik loop naar beneden en pak mijn tas. Ik sla mijn ontbijt wel over ik heb toch niet genoeg tijd. Als ik op mijn fiets stap zie ik Dylan voor mijn huis staan. ‘He Dylan.’ Zegt ik blij. Dylan kijkt om. ‘He Emma.’ Zegt Dylan terug. ‘Wat doe jij hier je woont heel ver weg.’’Nou ik heb van Wouter het een en ander gehoord. Dus vind je het erg als ik met je mee fiets?’’Nee hoor.’ Zeg ik. Wat zou Wouter vertelt hebben? Dylan begint vrolijk te praten. Ik let alleen niet op wat hij zegt. Als we bij school aan komen zet ik mijn fiets weg en ga naar Sara en de rest. ‘Wie is die jongen die met je mee fietste?’ Vraagt Anna nieuwsgierig. ‘Een vriend van mijn broer.’Zeg ik.  ‘En jij gaat met vrienden van je broer om?’ Vraagt Melissa. ‘Nee eigenlijk niet maar hij stond voor mijn deur en vroeg of hij mee mocht fietsen.’Zeg ik.  De meiden kijken me heel vaag aan. ‘Laat maar.’ Zeg ik. We lopen de school in.  Op naar de eerste les. Een vak dat ik wel leuk vind. Muziek. We lopen naar het lokaal. Als we het lokaal binnen komen zien we de klas al zitten. Ik ga ook snel zitten. De leraar komt binnen. ‘Goedemorgen.’ Zegt mr. Thompson vriendelijk, ‘Wie heeft zijn huiswerk niet goed geoefend?’ Vraagt mr. Thompson. Ik heb niet goed geoefend maar ik ken het liedje uit mijn hoofd. ‘Nou dan mag iedereen nog even oefenen en dan mag de eerste van de lijst komen. Ik mag dus nog even gaan oefenen omdat ik pas als 7e op de lijst sta. Ik pak een gitaar. We mochten zelf kiezen of we het op de gitaar of op het keyboard deden. Ik ben de enige met de gitaar maar dat maakt mij niet uit. Ik loop naar een tafel en ga op de tafel zitten. Ik begin het lied te spelen. Niemand let op mij. ‘Emma. Jij bent.’ Zegt mr. Thompson na een tijdje. Ik sta op en loop achter de leraar aan. ‘Laat maar horen.’ Zegt mr. Thompson. Ik begin te spelen. Als ik klaar ben met spelen is mr. Thompson stil. Na een tijdje begint hij te praten:’ Dit was echt heel goed. Zelfs 6de klassers spelen het slechter dan jou.’ Zegt mr. Thompson. ‘Je bent ook de enige die het op de gitaar speelt. Nou ik ga hier niet over twijfelen. Je krijgt een 10 en wil je het voor de klas spelen?’ Vraagt mr. Thompson. ‘Ja hoor.’ Zeg ik. We lopen naar de klas toe. ‘Wil iedereen even opletten?’ Vraagt mr. Thompson. Iedereen kijkt op. ‘Emma gaat even iets spelen.’ Zegt mr. Thompson. Ik ga op tafel zitten en begin te spelen. Als ik klaar ben begint iedereen te klappen. Als muziek is afgelopen hebben we nog 1 uur Frans. Iets waar ik dus heel slecht in ben. Als we in het lokaal zitten komt er een vrouw naar ons toe. ‘Mw. Dugornay is ziek dus jullie hebben een tussenuur.’ Zegt de vrouw. We staan allemaal weer op en lopen naar de kantine. Ik ga met Sara Emma en Anna aan een tafeltje zitten. We worden een beetje melig en gaan alle liedjes van de radio mee zingen. Als we een lied niet kennen luisteren we en zingen het 2e refrein mee. Er komt een lied dat we allemaal niet kennen.

 

People can take everything away from you
But they can never take away your truth
But the question is..
Can you handle mine?

They say I'm crazy
I really don't care
That's my prerogative
They say I'm nasty
But I don't give a damn
Getting boys is how I live
Some ask me questions
Why am I so real?
But they don't undersand me
I really don't know the deal about my sister
Trying hard to make it right
Not long ago
Before I won this fight

Everybody's talking all this stuff about me
Why don't they just let me live?
I don't need permission,
make my own decisions
That's my prerogative
that's my prerogative (it's my prerogative)

It's the way that I wanna live (it's my prerogative)
You can't tell me what to do

Don't get me wrong
I'm really not souped
Ego trips is not my thing
All these strange relationships really gets me down
I see nothing wrong in spreading myself around

Everybody's talking all this stuff about me
Why don't they just let me live?
I don't need permission,
make my own decisions
That's my prerogative
That's my prerogative

Everybody's talking all this stuff about me
Why don't they just let me live?
I don't need permission,
make my own decisions
That's my prerogative
that's my prerogative

It's the way that I wanna live (it's my prerogative)
You can't tell me what to do

why can't I live my life
without all of the things
That people say
oh oh

Everybody's talking all this stuff about me
Why don't they just let me live?
I don't need permission,
make my own decisions
That's my prerogative (they say I'm crazy)

Everybody's talking all this stuff about me
Why don't they just let me live?
(they say I'm nasty)
I don't need permission,
make my own decisions
That's my prerogative

 

Ik denk meteen aan thuis. Het lied heeft wel gelijk. Maar ja niet meteen mijn stemming laten verpesten door een lied.

 

Vrij of toch niet?

 

Ik zit aan mijn bureau. Ik schrijf een brief aan Thomas en Sara. Voor als ik niet terug naar school ga. Als ik klaar ben ga ik spullen inpakken. Wat moet ik allemaal mee nemen. Ik pak pen en papier en maak een lijstje. ‘Kleding, ondergoed, make-up, mobiel, ipod, haarlak, schoenen, laptop, tandenborstel en tandpasta, krultang, stijltang, ehm even denken wat nog meer?’ Mompel ik terwijl ik het lijstje op schrijf. Dan gaat de deur open. ‘Emma wat ben je aan het doen?’ Hoort ik mijn vader zeggen. ‘Mijn huiswerk.’ Zeg ik. ‘Wat moet je dan maken?’ Vraagt hij. Alsof het hem iets interesseert wat mijn huiswerk is. ‘Ik moet ik het Frans een boodschappenlijstje maken.’ Zeg ik. Ik hoef niet te liegen wat dat is nog waar ook. ‘O oke.’ Zegt mijn vader en komt mijn kamer in en doet de deur weer dicht. Shit zou hij gaan… Daar komt de eerst klap. Hard op mijn rug. Hij trekt me aan mijn haar overeind en slaat weer. Was Wouter er maar. Dan voel ik weer een klap. De klap blijft na branden. Het doet heel veel pijn maar, ik mag niet gaan schreeuwen. Dan zou hij nog harder gaan slaan. Als mijn vader uitgeslagen is gaat hij weg en doet de deur op slot. Het lijkt net of ik een boksbal ben. Dat ben ik toch echt niet. Misschien wel in mijn vaders ogen. Ik sta moeizaam op en pak een tas. Ik doe alle belangrijke dingen er in. Als ik zie dat ik nog ruimte heb pak ik nog een paar shirtjes en broeken. Als ik alles heb ga ik nog even douchen. Als ik gedoucht heb doe ik donkere kleding aan. Wouter zou vast laat in de avond komen. Ik doe mijn make-up en ga in bed liggen.

 

‘Em kom.’ Zegt Wouter. Ik loop naar het raam. ‘Pak je spullen dan kunnen we meteen weg.’ Ik loop terug en pak mijn tas. ‘Klim voorzichtig uit het raam.’’Oke.’ Ik klim uit het raam. Als we beneden staan gaat de deur open. ‘Snel verstop je.’ Zegt Wouter. Ik ga snel achter een struik zitten. ‘Wouter wat doe jij hier?’’O gewoon rondlopen.’’Waarom is het raam van Emma dan open?’’Geen idee.’’Je hebt wel een idee want Emma is niet in haar kamer.’’Misschien is ze in haar badkamer.’’Daar is ze ook niet.’’Raar.’’Helemaal niet want Emma is bij jou.’’Nee hoor waar is ze dan?’ Mijn vader draait zich om. Als hij bijna een stap heeft gezet. Draait hij zich snel om en geeft Wouter een klap in zijn gezicht. Wouter valt op de grond en komt niet overeind. ‘Emma kom.’ Hoor ik mijn vader roepen. Ik blijf stil zitten. Mijn vader loopt naar de struik en trekt me aan mijn haar overeind. ‘IK ZEI KOM.’ Schreeuwt mijn vader boos. Hij geeft me ook een klap in mijn gezicht.

 

Er word op het raam getikt. Ik stap snel mijn bed uit. Ik loop naar het raam en zie Wouter zitten. Ik doe snel het raam open. ‘Pak je spullen en kom.’ Fluistert Wouter zacht. Ik pak snel mijn tas en loop weer naar het raam. ‘Kom… voorzichtig.’ Zegt Wouter. Ik klim uit het raam. Na een paar minuten voel ik de grond. Fijn dat is gebeurd. ‘Kom.’ Zegt Wouter. Ik volg Wouter. Als we de tuin uit lopen zie ik een scooter staan. ‘Hier.’ Zegt Wouter. Hij geeft me een helm. Hij doet er zelf ook een op. Hij start de motor. Ik ga achterop zitten en pak Wouter goed vast. Dan rijden we weg. Als ik om kijk naar het huis zie ik mijn vader versuft voor het raam kijken. Ik voel de wind in mijn haar. Dat voelt goed. Eindelijk weg van mijn ouders. Maar waar zou ik nu heen gaan? Ach ja ik vertrouw op Wouter.

 

Nieuw huis.

 

Als we een kwartier hebben gereden remt Wouter af. Als de scooter stil staat stappen we af. ‘We moeten nu nog een klein stukje lopen.’ Zegt Wouter. Ik haal mijn schouders op en loop achter hem aan. Als 5 minuten gelopen hebben komen we bij een groot huis aan. Wouter loopt de tuin in. Ik loop langzaam achter hem aan. Hij pak een sleutel uit zijn jaszak en doet de deur open. Als ik het huis binnen stap kom ik in een grote hal. Het is heel gezellig ingericht. ‘Doe je jas maar uit.’ Zegt Wouter. Ik doe wat hij vraagt en doe mijn jas uit. Wouter pakt mijn jas aan en hangt hem aan een kapstok. We lopen een woonkamer in. Er staan drie banken om een tv heen. In het midden van die banken staat een glazen tafeltje. Het ziet er heel gezellig en leuk uit. Wouter loopt door naar een keuken. Er staat een grote houten eettafel en wit beklede stoelen. ‘Wil je wat eten?’ Vraagt Wouter. ‘Ja graag.’’Wat wil je eten?’’Maakt niet uit.’’Oke.’ Wouter pakt een bord en maakt een paar boterhammen klaar. ‘Ga maar zitten.’ Ik schuif een stoel naar achter en ga zitten. Wouter zet het bord neer en gaat tegenover me zitten. Ik eet het brood zwijgend op. ‘Bedankt.’ Zeg ik als ik het op heb. ‘Kom dan breng ik je naar je kamer.’ Ik sta op en loop met Wouter mee. We lopen weer naar de hal. Als we daar zijn gaan we een trap op. ‘Hier is de badkamer.’ Zegt Wouter en hij wijst naar een deur. ‘En hier is jou kamer.’ Hij doet een deur open. Ik stap de kamer in. Het is een grote kamer. Er staat een groot tweepersoons hemelbed, een bureau, en een kledingkast. Er is nog heel veel ruimte over. ‘Ga maar slapen. Wil je morgen naar school of niet?’ Vraagt Wouter. ‘Zou papa me daar niet opwachten?’ Vraag ik. ‘Vast wel maar dan zorg ik dat er een paar vrienden van me op je letten.’’Dan wil ik wel naar school.’’Oke. Ga nu maar slapen.’ Ik knik en pak mijn tas van beneden. Ik doe mijn pyjama aan en ga in bed liggen. Na een paar minuten val ik rustig in slaap.

 

Een normale dag.

 

Als ik de volgende ochtend wakker word van een wekker merk ik dat ik niet in mijn eigen kamer lig. Ik denk even na en kom er weer op dat ik bij Wouter ben. Ik kleed me aan en ga naar beneden. Ik kom de woonkamer in. Ik zie Wouter en Dylan met nog een paar andere jongens zitten. Als ze de deur open zien gaat schuiven ze meteen een plasticzakje weg. Ik vraag me af waarom. Naja boeit niet. Ik loop door naar de keuken en begin naar het brood te zoeken. ‘Wat zoek je?’ Hoor ik achter me. Als ik omkijk zie ik een van die vrienden van Wouter in de keuken staan. ‘Het brood.’ Zeg ik terwijl ik verder zoek. ‘In dat kastje daar boven aan de linkerkant.’ Zegt die vriend. Ik doe het kastje open en zie dat het brood daar inderdaad in ligt. ‘Dankjewel.’ Zeg ik. Ik pak het brood en begin opnieuw een zoektocht naar het beleg. Al snel heb ik dat gevonden en zit ik etend aan de tafel. ‘Em’ Hoor ik Wouters stem zeggen. ‘Ja wat is er?’ Vraag ik. ‘Eh die jongens die in de woonkamer zitten houden vandaag een oogje op je.’ Zegt Wouter bezorgt. ‘Oke dankjewel.’ Zeg ik. ‘Ga maar snel verder eten en pak je tas dan gaan jullie over een kwartier of zo.’ Zegt Wouter. Ik knik en eet verder. Als ik mijn brood op heb zet ik het bord weg en loop weer naar boven. Ik doe mijn make-up even snel en pak mijn tas. Ik doe mijn tas open en haal de boeken van gister er uit. Ik pak de boeken die ik nodig heb en ga naar beneden. Daar staan de vrienden van mijn broer al klaar om weg te gaan. ‘Hier.’ Zegt Wouter terwijl hij een broodtrommel in mijn handen drukt. Hij denkt ook echt overal aan. ‘Kom we gaan.’ Zegt Dylan die de deur open doet. Ik pak snel mijn jas en doe die aan. ‘Je gaat bij mij achterop.’ Zegt een jongen die bij de deur is blijven staan. ‘Oke is goed.’ Zeg ik. ‘Ik heet trouwens Bob.’ Zegt de jongen. ‘Oke weet ik dat ook weer.’ Zeg ik terwijl ik al weet dat ik al die namen nooit ga onthouden. Bob pakt een fiets en gaat op het zadel zitten. Ik ga bij hem achter op zitten. Als ik nog maar net zit begint hij al te fietsen. Na een minuut of 10 zijn we op school aangekomen. Ik zie dat mijn vriendinnen er nog niet zijn. Ik ga op een bankje zitten en wacht tot ik mijn vriendinnen zie aan komen fietsen.

Als ik naar ze toe kom lopen zie ik ze allemaal verbaast kijken. Vast omdat ik altijd als laatste kom en nu als eerste ben. ‘Ben je ziek of zo?’ Vraagt Melissa. Sara legt een hand op mijn voorhoofd. ‘Nee volgends mij is ze niet ziek.’ Zegt Sara. Ze haalt haar hand weer weg. ‘Nou vertel ben je verliefd of zo?’ Vraagt Sanne. ‘Nee ik ben gewoon gebracht.’ Zeg ik. ‘Kan ook.’ Zeggen ze allemaal tegelijk en stoppen daar over. Over een paar dagen kan ik weer gewoon met gym meedoen. Ik loop de school in en dump mijn jas in mijn kluisje. Daarna loop ik verder naar het lokaal en ga tegen de deur aan zitten. Daar blijf ik dan zitten tot de leraar het lokaal open komt maken. ‘Wat ben jij vroeg vandaag,’ Zegt Mr. Ellens. ‘Ik werd gebracht.’ Zegt ik. Niet eens gelogen wat ik normaal wel doe als ik te laat ben. ‘Nou dat mag dan vaker gebeuren.’ Zegt mr. Ellens. Als de hele klas is aan komen lopen doet mr. Ellens alsof hij een stier is en maakt zo de deur open. Mr. Ellens is wel een aardige leraar. Je kan wel lachen met hem.

 

Ouders.

 

Na de schooldag wacht ik op Bob, Dylan en de anderen. De meeste waren gelijk met mij uit maar ik zie ze nog niet. Als ik 10 minuten heb gewacht bel ik Wouter op. ‘Met Wouter.’ Hoor ik hem opnemen. ‘He met Em.’ Zeg ik. ‘He Em wat is er?’ Vraagt Wouter. ‘Nou de jongens zijn hier nog niet.’ Zeg ik. Ik kijk even om me heen of ze niet toevallig aan komen fietsen. Als ik richting de parkeerplaats kijk zie ik mijn moeder lopen. ‘Wat raar dat ze er nog niet zijn.’ Zegt Wouter. ‘En ik zie mama hier heen lopen.’ Zeg ik. ‘WAT? Verstop je ergens of zo dat ze je niet kan vinden. Ik kom naar je toe.’ Zegt Wouter. Ik hang op en ren weg. Waar moet ik heen? Ik ren naar de kleedkamers van gym. Damn dat is niet goed genoeg. Ik ren naar de wc’s en sluit mezelf op. Dat is te voorspelbaar. Ik ga daar ook weg en ren de trappen op. Wie van die gasten was nou nog niet uit? Ehm O ik weet het weer. Geen idee hoe hij heet maar oke. Waar had hij ook al weer les? 305 volgends mij. Ik ren naar de derde verdieping. Even door het raampje van 305 kijken. Ja daar zit die gast. Ik doe rustig de deur open en loop naar binnen. ‘En waar kom jij zo laat vandaan?’ Vraagt de leraar als ik naast die gast neer plof. ‘Ik was naar de tandarts meneer.’ Verzin ik snel. ‘O oke.’ Zegt de leraar en hij gaat door met de les. ‘Wat is er?’ Vraagt die gast fluisterend. ‘Mijn moeder is hier op school.’ Fluister ik terug. ‘Kan het even stil zijn?’ Vraagt de leraar. ‘We gaan nu de vervoeging van avoir herhalen.’ Zegt de leraar. Ik zit hier dus blijkbaar in een les Frans. Ik haat Frans maar ja het kan nu niet anders. ‘Wil jij het even op noemen?’ Vraagt de leraar aan mij. Heb ik weer. Op noemen dan maar. Wat was het ook al weer? ‘Ehm J’ai, Tu as, on/il/elle a, nous avons, vous avez, ils/elles ont.’ Zeg ik snel achter elkaar om er van af te zijn. ‘Heel goed. Sean daar kan je een voorbeeld aan nemen.’ Zegt  de leraar. ‘Zou ik zeker doen.’ Zegt Sean die vriend van mijn broer. De leraar gaat door met de les. Ik kijk een paar keer door het raampje en zie dat mijn moeder langs loopt en door het raampje kijkt. Damn laat ze me alsjeblieft niet zien. Ik kijk weer naar de leraar en fluister naar die gast die ‘Sean’ word genoemd.  ‘Sean, mijn moeder stond voor de deur en ik denk dat ze me gezien heeft.’’Shit he. Weet Wouter dit?’ Vraagt Sean bezorgd. ‘Ja ik heb hem al gebeld omdat de jongens me niet op kwamen halen.’ Zeg ik. Sean kijkt me aan. ‘Ze hebben je niet opgehaald?’ Vraagt Sean ongeloofwaardig. ‘Nee ik stond al tien minuten te wachten.’ Zeg ik. ‘Willen jullie nu stil zijn anders vliegen jullie er uit.’ Zegt de leraar boos. ‘Is best meneer dan kunnen we tenminste RUSTIG door praten zonder gestoord te worden.’ Zeg ik. ‘Ja en dan verstoren we uw les ook niet meer.’ Zegt Sean. ‘Ga dan maar.’ Zegt de leraar. Sean en ik lopen het lokaal uit. ‘Bel Wouter even en vraagt waar hij is.’ Zegt Sean gelijk als de deur dicht is. Ik pak mijn mobiel en bel Wouter. ‘Met Wouter.’ Hoor ik als mijn mobiel een paar keer is overgegaan. ‘He met Emma.’ Zeg ik. ‘He Em ik ben bijna op het schoolplein dus als je nu naar buiten komt dan kan je meteen mee.’ Zegt Wouter. ‘Oke dankjewel.’ Zeg ik en ik hang op. Ik ren naar buiten en zie Wouter aan komen rijden in een auto. Ik zie dat Sean me is gevolgd. ‘Mag ik ook mee?’ Vraag Sean als Wouter en ik weg willen gaan. ‘Ja tuurlijk.’ Zegt Wouter. Sean stapt ook snel de auto in. Als de deur dicht is start Wouter snel de motor en rijd weg. ‘Hoe kom je eigenlijk aan deze auto?’ Vraag ik me hardop af. Ik bedoel gister had hij nog een scooter. ‘Geleend van een vriend.’ Zegt Wouter. Ik geloof hem. Waarom zou hij tegen mij liegen? Als we na een kwartier of zo weer bij Wouters huis aankomen zie ik zijn vrienden bij de deur staan. Die vrienden die mij op moesten halen en hier heen moesten brengen. ‘Waarom hebben jullie Emma niet opgehaald?’ Vraagt Wouter boos. De jongens kijken Wouter stoned aan. Zouden ze… Nee vast niet. ‘Wat hebben jullie op?’ Vraagt Wouter. Wel dus. ‘Cocaïne.’ Roept een van die gasten lachend.  Zou Wouter ook??? Nee vast niet. Anders zou hij het wel verteld hebben. ‘Hebben jullie nog over?’ Vraagt Wouter. Wat gebruikt Wouter ook? ‘Ja hier.’ Zegt een van die gasten. Hij steekt zijn hand uit en heeft daar een plastic zakje in. Meer hoef ik niet te zien. Ik draai me om en ren weg. ‘Em wacht!’ Hoor ik Wouter achter me roepen. Ik ren zo snel ik kan weg. Naar het station.

 

Zoektocht naar Melissa.

 

Pov.(point of view) Wouter.

 

‘Shit he.’ Zeg ik.  Nu is Emma dus weg gerend omdat ze denkt dat ik cocaïne gebruik. Dat zou ik nooit doen. Ik probeer alleen de jongens er mee te laten stoppen. Sean en Dylan zijn de enige verstandige. ‘Sean, Dylan willen jullie me helpen zoeken naar Emma?’ Vraag ik. ‘Ja tuurlijk.’ Antwoorden ze. ‘Ik ga naar mijn ouders en Sean als jij nou richting het station gaat en Dylan richting de winkelstraat.’ Zeg ik. Dat zijn de plaatsen die bij haar het meest voorspelbaar zijn. ‘Oke doen we.’ Zeggen ze en ze rennen weg. Ik ren naar de auto toe en start de motor. Dan rij ik naar het huis van mijn ouders. Als Emma daar nu heen gaat dan word ze letterlijk doodgeslagen. Ik rij een beetje rond en zoek naar Emma. Ik ben nu bij het huis van mijn ouders. Het ziet er verlaten uit. Ik denk dus niet dat ze hier is. Dan maar langs die vrienden van haar. ‘Melissa, Sarah, Thomas, Anna.’Mompel ik in mezelf om te kijken langs wie ik moet.

 

Pov. Dylan.

 

Ik loop richting de winkelstraat. Waar zou Emma het eerst heen gaan in de winkelstraat? Naar die ene disco denk ik. Hoe heet die ook al weer? Escape, volgends mij. Daar maar heen dan. Ik loop richting de Escape. Zou ik haar daar vinden? Geen idee maar er is een grote kans. Als ik daar aan kom staat er een lange rij. Nu al. Het is nog vroeg maar ja. Er zou wel weer eens een goede DJ komen. Er word nog niemand binnen gelaten. Als Emma hier is zou ze ergens achteraan in de rij staan. Langs de rij lopen dan maar. Als ik vooraan sta heb ik Emma nog niet gezien. Nu de winkels. Ik loop overal in en uit maar ik zie Emma nergens.

 

Pov. Sean.

 

Ik ren zo snel ik kan naar het station. Heb ik geld bij me? Ik voel in mijn broekzak. Ja ik heb mijn portemonnee. Als ik het station op loop is het heel rustig. Ik loop een beetje rond en kijk of ik Emma zie. Er komt een trein aan rijden. Er lopen een paar mensen naar toe. Ik kijk snel of ik Emma er tussen zie lopen. Ja daar loopt ze. Ik ren zo snel ik kan naar de trein. De trein staat stil en de deuren gaan open. Snel ren ik naar de wagon waar Emma voor staat. Als ze naar binnen is volg ik haar.

 

In de trein.     

 

Ik loop de trein in. Ik heb geen idee waar hij heen gaat. Ik heb een kaartje gekocht. Voor de eerste trein die zou komen. Dat was deze dus. Ik zie wel waar ik uit kom. Ik ga in een lege coupé zitten. Hopelijk komt er niemand bij me zitten. Ik het geen zin in praten of geselschap. Ik pak mijn iPod en zet een nummer aan. Ik kijk uit het raam. Waar zouden we heen gaan. Mij maakt het echt niet uit. Als ik maar weg ben. Ik concentreer me op alles wat ik buiten het raam zie. De trein komt in beweging en begin te rijden. Dan gaat de deur van de coupé open. Ik kijk verstoord op en zie Sean in de opening staan. Ik negeer hem en kijk weer uit het raam. ‘Em.’ Zegt Sean. ‘Ik heb geen zin in praten.’ Zeg ik. Hij haalt zijn schouders op en gaat zitten. ‘Waarom ben je weg gelopen?’ Vraagt Sean na 5 minuten. ‘Wat doet dat er toe?’ Antwoord ik fel. ‘Wouter probeert je te helpen.’ Zegt Sean. ‘Waarom gebruikt hij dan drugs?’ Vraag ik half huilend. ‘Hij gebruikt niet. Hij wil die anderen er van af helpen.’ Zegt Sean. ‘Echt?’ Vraag ik ongeloofwaardig. ‘Ja hij wil altijd iedereen helpen.’ Zegt Sean. Moet ik hem geloven of zegt hij dit alleen maar omdat hij wil dat ik terug kom? ’T Zal wel.’ Zeg ik. Ik weet niet wat ik moet geloven. Ik dacht dat ik mijn ouders ook kon geloven. Dat kon niet dus, maar moet ik Sean nu geloven? Ik ken hem niet lang en ik weet ook niet of ik hem kan vertrouwen. ‘Waar denk je aan?’ Vraagt Sean. Waarschijnlijk trok ik een moeilijk gezicht of zo. ‘Niks laat maar.’ Antwoord ik. Ik ga hem echt niet alles vertellen. ‘Je kan me alles zeggen. Ik kan het nu toch niet door vertellen. We zitten in een trein naar Verweggistan.’ Zegt Sean. Hij heeft wel gelijk maar alsnog. Kan ik hem alles toe vertrouwen. Beter nog. Kan ik hem vertrouwen? Waarom is het leven zo moeilijk? ‘Laat maar.’ Zeg ik weer. Ik weet niks anders te zeggen. ‘Als er iets is moet je het me vertellen he.’ Antwoord hij. ‘Ja zou ik doen.’ Zeg ik om van hem af te komen. Ik heb echt geen zin in preken en zo. Ik kijk weer uit het raam en zie allemaal weilanden. Met paarden, koeien en schapen. Vooral koeien en schapen. Dat ziet er zo grappig uit. Een groen veld met witte en zwarte en soms rode stippen. Tenminste dat zie je van ver weg. Af en toe zie ik een huisje voorbij komen. Ik kijk richting Sean. Hij is met zijn mobiel aan het spelen. Zou hij Wouter smsen of zo? Dat zou best kunnen. Sean kijkt op. Hij kijkt mij aan en ik kijk snel weg. ‘Wat is er?’ Vraagt hij. ‘Ik sms Wouter echt niet hoor.’ ‘Hoe weet ik dat nou weer dat jij Wouter niet smst?’ ‘Geen idee maar je moet me maar vertrouwen.’ Ik zucht. Dan moet ik hem maar vertrouwen. Hij is de enige die ik nu heb. Tenzij hij terug gaat naar Wouter. Ik weet niet wat hij gaat doen maar ik ga niet terug. Niet nu in ieder geval. ‘Kijk maar.’ Zegt Sean. Ik pak zijn mobiel aan en kijk of hij smsjes heeft gestuurd of gebeld. Ik zie niks maar hij kan het ook verwijdert hebben. ‘Je kan het toch ook verwijderd hebben.’ ‘Dat kan ja maar dat maakt geluid.’ ‘Je kan je mobiel toch op stil hebben staan.’ ‘Dat kan bij dit ding niet deze kan alleen trillen.’

 

Waar zijn we?

 

We zitten nu al een uur in de trein maar hij is nog steeds niet gestopt. Ik heb nog steeds geen idee waar we heen gaan. Ik weet wel dat we Nederland uit zijn want de koeien zijn nu rood in plaats van zwart wit. Sean zit nog steeds zwijgend tegen over me. De deur gaat open. Ik kijk op en zie een conducteur staan. Ik haal het kaartje uit mijn broekzak en geef het aan hem. ‘Ik heb geen kaartje maar kan ik er nu een kopen?’ Vraagt Sean. ‘Ja tuurlijk.’ De conducteur haalt een kaartje uit zijn jasje en geeft hem aan Sean als hij het geld heeft gegeven. Sean gaat weer zitten en de conducteur gaat weg. ‘Lijkt me geen leuk beroep.’ Zegt Sean na een paar minuten. ‘Je komt wel overal en nergens maar je verdient er denk ik niet zo veel mee.’ ‘Helemaal niks lijkt mij.’ ‘Als hij het leuk werk vind. Van mij mag ‘ie.’ ‘Dat is zo.’ Ik zwijg. Ik weet niet wat ik moet zeggen en ik heb ook geen zin om te praten. Buiten is het ook niet erg interessant. ‘Weet je waar we heen gaan?’ Vraag ik dan maar aan Sean. Ik wil toch wel eens weten waar we heen gaan. ‘Frankrijk, Parijs. Volgens mij.’ ‘Hoe weet je dat nou weer?’ ‘Er stond net een bordje met ‘bienvenu en France’. ‘ Ik knik. Frankrijk. Ik ben niet goed in Frans. Ik moet me zelf maar zien te redden daar. Met Sean dan. Ik weet alleen niet of ik zoveel hulp aan hem heb. Toen ik bij hem bij die les Frans naar binnen liep bakte hij er ook niks van. ‘Kan je wel Frans.’ Zeg ik opeens. Waarom moest ik dat nou weer zeggen? Ik kan mezelf wel slaan. Hij zit twee klassen hoger en moet dus wel voldoende staan voor Frans anders zou hij niet over gaan. ‘Ja tuurlijk kan ik Frans. Het is niet goed of zo maar ik kan het wel.’ Antwoord hij. Ik knik. Hij is wel aardig maar zou hij de waarheid spreken over Wouter? Ik weet het niet. Hij kan toch ook aan de drugs zijn? En Dylan waarvan ik dacht dat die aardig en betrouwbaar was? Die kan ook aan de drugs zijn. Waarom is het leven zo moeilijk? Of is alleen mijn leven zo moeilijk. Ik heb geen idee. De trein verminderd na 2 uur eindelijk vaart. ‘Kom we moeten er hier uit.’ Ik pak mijn schooltas en sta op. Sean doet de coupédeur open. Als de trein stil staat gaan de deuren open en lopen Sean en ik naar buiten. De zon schijnt. Het is heel warm. Ik doe mijn vest uit en knoop die om mijn middel. ‘Waar gaan we nu heen?’ Sean kijkt me aan. ‘Ik heb geen idee.’ Zegt hij. Ik loop het station af. Geen idee waar ik heen loop maar ik vind de weg vast wel. Ik vind wel een plaats om te overnachten. Een hotel of zo. Desnoods een boot die ergens aan een haven ligt. ‘Waar ga je heen?’ Ik kijk om. Sean loop achter me aan. ‘Ik heb geen idee. Ik ga gewoon de buurt verkennen.’ Hij komt naast me lopen. ‘Je weet niet waar je bent. Je broer is overbezorgd. Waar ben je mee bezig?’ ‘Ik weet niet waar ik mee bezig ben maar ik weet wel dat ik niet terug ga naar Nederland.’ Ik loop weer door. Als ik door een paar straten ben gelopen, komen we in een drukke straat. Vast de winkelstraat. Ik moet nu zorgen dat ik Sean niet kwijt raak. Langzaam beweeg ik me in die mensenmassa voort. Als ik aan het einde van de straat ben kijk ik of Sean er nog is. Hij is een paar meter achter me. Gelukkig ben ik hem niet kwijt. Ik ga rustiger lopen. Goh, het is hier wel warm. Ik stop even om gelijk met Sean te lopen. Als ik naast hem loop vraag ik aan hem. ‘Ben je eerlijk tegen mij geweest?’

‘Ja, ik zou echt niet liegen over zoiets, ik weet hoe erg je het zou vinden, maar kom alsjeblieft mee dan kunnen we het thuis uitpraten.’ ‘Nee, ik blijf hier, ik slaap vannacht wel op een boot, zie maar of je mee gaat, ik blijf.’ ‘Ik heb beloofd goed op je te passen, ik ga met je mee.’ Als het begint te schemeren gaan we op zoek naar een plekje om te slapen. Uit eindelijk hebben we een boot gevonden. We stappen op de boot en gaan opzoek naar een veilig plekje om te slapen. Als we een plekje hebben gevonden waar niemand ons ziet vallen we in slaap.

 

Ik word ruw wakker geschud. Langzaam open ik mijn ogen. Is dit alles een droom geweest? Ik hoop het niet. Als ik op kijk. Kijk ik recht in de ogen van een woedende Kapitein. Het was dus geen droom. Maar varen we al of nog niet. De man praat iets boos in het Frans. Ik doe alsof ik hem niet versta. Wat ik eigenlijk wel doe. ‘Em Versta jij wat hij zegt?’ Vraagt Sean die inmiddels ook wakker is. ; Ja eigenlijk wel maar ik doe alsof ik hem niet versta.’ Antwoord ik. Sean grinnikt. De man is eindelijk gestopt met praten. ‘Sir? I didn’t onderstand you.’ Zeg ik. De man kijkt me raar aan. Die heeft dus nooit Engels geleerd. De man zegt dat er iemand bij gehaald moet worden om te vertalen. ‘Wat gaan ze doen?’ Vraagt Sean. ‘Nooit opgelet bij Frans? Hij gaat er een tolk bij halen.’ Sean barst in lachen uit. Oké het klinkt namelijk ook wel dom ja. Een schipper die geen Engels spreekt. Een van de matrozen loopt weg en komt als Sean eindelijk is opgehouden met lachen weer terug met een tolk. ‘What are you doing here?’ Vraagt de tolk. ‘I, I don’t know how I came here. Maybe

 knows my friend that.’ Zeg ik en ik wijs naar Sean. ‘Do you know how you came here?’ Vraagt de tolk nu aan Sean. ‘Ehm, one of that guys have bring us here, thought I.’ Zegt Sean. Die gaat zich dus heel erg in de problemen werken zo. De tolk vertaald het en de man kijkt zijn bemanningsleden aan. Iedereen kijkt heel onschuldig. Ik moet moeite doen om mijn lach in de houden, het is gewoon te komisch om te zien. Iedereen kijkt heel onschuldig.

 

Gastenboek

Schrijf in gastenboek

Totaal: 3 berichten.


Naam: (83.85.71.228) Datum: 2009-03-31 20:28:21
VERDER! VERDER!

Naam: labelloXsugar (13) Datum: 2009-02-08 13:27:24
nieuw verhaal http://www.imonline.nl/get_page.php?username=labelloXsugar&page=3

Naam: weet ik niet (82.72.32.195) Datum: 2009-01-24 21:15:26
beetje veel tekst...